Dutch Banks Under Pressure|Drie Drukpunten, Eén Breukpunt

· AEX

De rente boven 300bp: voordeel of val

De Nederlandse tienjaarsrente brak begin mei overtuigend boven de 300 basispunten — een niveau dat decennialang als plafond gold voor de langjarige handelsbandbreedte.

De consensuslees op dat moment was eenvoudig: hogere kapitaalmarktrentes betekenen hogere nettorente-inkomsten voor banken, en dus betere winstmarges.

Dat was de these waarmee ING en ABN AMRO het afgelopen jaar als renteprofijt-aandelen in portefeuilles belandden.

Maar de uitbraak boven 300 basispunten verplaatst de vraag van "hoeveel verdienen de banken meer" naar "hoeveel kost hen dit in hun obligatieportefeuilles en fundingstructuur."

Wanneer lange rentes structureel stijgen, dalen de marktwaarden van bestaande vastrentende posities — en Nederlandse grootbanken houden aanzienlijke posities in staatsobligaties aan als liquiditeitsbuffer.

Dat mechanisme bleek in 2023 het directe faillissementskanaal voor Silicon Valley Bank, en het is niet verdwenen omdat Europese toezichthouders andere regels hanteren.

Het technisch koersdoel dat marktanalisten nu noemen voor de Nederlandse tienjaarsrente ligt op 410 basispunten, met een tussenstation rond 350 basispunten als bovenkant van het stijgende trendkanaal.

Dat traject is niet zeker, maar de richting van de uitbraak is bevestigd — en elke 50 basispunten opwaarts vergroot de druk op de balans terwijl de fundingkosten stijgen sneller dan de uitleenrentes worden herzien.

De klassieke renteprofijt-these gaat ervan uit dat banken de hogere marktrente één-op-één vertalen naar hogere leningrentes, terwijl depositotarieven achterblijven.

Dat functioneerde in 2022 en 2023, toen spaarders traag reageerden en de ECB snel verhoogde.

Maar de structurele condities van dat tijdperk zijn nu omgedraaid: de ECB verlaagt, depositospaarders hebben inmiddels alternatieven ontdekt, en de lange rente stijgt om redenen — geopolitieke premie, Europese defensie-emissies, VS-begrotingszorgen — die losstaan van de conjuncturele kredietcyclus.

De these dat stijgende rentes automatisch bankwinsten verhogen geldt alleen als de depositobasis stabiel blijft en de kredietvraag sterk genoeg is om hogere rentes te absorberen.

Dat zijn precies de twee condities die onder druk staan — en het tweede drukpunt liet zich die week al voelen in de spaarmarkt.

Trade Republic en de 175bp-kloof

Terwijl de kapitaalmarktrente brak boven haar technisch plafond, publiceerde HomeFinance.nl een ranglijst die een andere breuk zichtbaar maakte: Trade Republic biedt 3,00 procent op vrij opneembaar spaargeld, terwijl ING, Rabobank en ABN AMRO op 1,25 procent staan.

Het verschil van 175 basispunten is niet alleen een marketingvoordeel voor een neobank — het is een meetbare relatieve-waardekloof die het gedrag van een specifieke klantgroep verandert.

Bij een spaarsaldo van dertigduizend euro bedraagt het jaarlijkse verschil vijfhonderdvijfentwintig euro per klant.

Voor een huishouden dat zijn vermogen actief beheert, is dat een drempel die laag genoeg is om over te stappen en hoog genoeg om te blijven.

Maar hier zit het punt dat de meeste commentatoren missen: Trade Republic is geen bank in de traditionele zin.

Het platform betaalt die 3 procent niet uit eigen rentemarges, maar door klantsaldi door te plaatsen bij Europese centrale banken en grootbanken tegen de geldende ECB-depositorente — een constructie die schaalbaar is zolang de ECB-rente boven de aangeboden spaarrente ligt.

Op het moment dat de ECB-rente verder daalt richting de 2 procent, krimpt die marge voor Trade Republic evenzeer — maar dan heeft het platform al een spaarbasis opgebouwd die structureel moeilijk terug te halen is door incumbents.

De incumbents zitten in een asymmetrisch dilemma: als zij hun spaarrente verhogen naar 3 procent, comprimeren zij hun eigen nettorente-inkomsten op het moment dat de fondsenmarkt al onder druk staat van stijgende obligatierentes.

Als zij de tarieven niet verhogen, verliezen zij geleidelijk deposito's aan het moment dat die deposito's het goedkoopste financieringsinstrument zijn dat zij hebben.

Deutsche Bank verhoogde zijn koersdoel voor ABN AMRO van 28 naar 31 euro op basis van sterke Q1-resultaten, met winsttaxaties voor 2026 en 2027 significant verhoogd.

Maar die taxaties zijn gebouwd op een fundingstructuur waarbij depositobehoud als gegeven wordt beschouwd.

Als de 175 basispunten-kloof aanhoudt en depositomobiliteit toeneemt, dan is de fundingkostprijs in die modellen aan de lage kant — en dat is de herziening die analisten nog niet hebben ingeprijsd.

De vraag die dit hoofdstuk openlaat is niet of neobanken winnen of verliezen — maar hoeveel van de depositobasis bij ING, Rabobank en ABN AMRO inmiddels prijsgevoelig is geworden, en of klimaatrisico die loyaliteit verder ondermijnt.

De klimaatklacht en het staartrisico

Milieudefensie diende op 18 mei een klimaatklacht in tegen ING — en de meeste reacties framen dit als reputatierisico, een juridisch gevecht dat jaren duurt en waarschijnlijk schikt.

Dat framing mist de structurele noviteit van wat hier gebeurt.

ING erkent zelf dat zijn gefinancierde uitstoot in 2024 uitkwam op 262 megaton broeikasgassen — anderhalve maal de totale uitstoot van Nederland.

De Terra Approach, ING's eigen klimaatprogramma, stelt reductiedoelen voor twaalf sectoren, maar dekt slechts een derde van de totale leningenportefeuille.

Dat gat — twee derde van de portefeuille zonder klimaatdoelstelling — is niet alleen een communicatieprobleem. Het is het juridisch aanvalspunt.

Milieudefensie eist halvering van die uitstoot, wat in de praktijk betekent: uitfasering van een substantieel deel van de financiering aan sectoren als olie, gas, luchtvaart en cement binnen een rechtbank-gesteld tijdspad.

Het precedenteffect is wat dit anders maakt dan eerdere ESG-druk.

Shell verloor in 2021 een vergelijkbare zaak voor de Nederlandse rechter, waarbij de rechtbank een concreet reductiepercentage oplegde.

Dat vonnis werd later teruggedraaid in hoger beroep — maar het bewees dat Nederlandse rechters bereid zijn om een kwantitatief emissiemandaat op te leggen aan een private onderneming.

Als een vergelijkbare uitkomst voor ING wordt bereikt, verandert dat de kredietportefeuillesamenstelling niet geleidelijk via duurzaamheidsbeleid, maar via juridisch opgelegde tijdlijnen.

Dat introduceert een correlatieverandering in het risicoprofiel van ING die voorheen ontbrak: blootstelling aan fossiele sectoren wordt geen geleidelijk afbouwbaar risico, maar een binair juridisch evenement met een specifieke deadline.

Het is dat staartrisico — laagwaarschijnlijk, hoog-impact, niet verdisconteerd in de huidige koersinschattingen — dat de risicostructuur van ING fundamenteel anders maakt dan ABN AMRO of Rabobank op dit moment.

Rabobank en ABN AMRO sloten zich aan bij het Qivalis-consortium voor een euro-stablecoin, een signaal dat grote banken actief proberen het fintech-terrein te heroveren.

Maar stablecoin-innovatie adresseert het depositoverlies aan Trade Republic niet, en het dekt het klimaatstaartrisico evenmin.

Die twee drukpunten blijven open — en samen met de renteregime-omslag vormen zij een convergentie die pas in het slothoofdstuk zijn volledige gewicht toont.

Drie drukpunten, één allocatieafweging

De drie ontwikkelingen van deze week — de uitbraak van de tienjaarsrente boven 300 basispunten, de 175 basispunten depositokloof met Trade Republic, en de klimaatklacht tegen ING — zijn geen losse gebeurtenissen.

Zij convergeren op hetzelfde breukpunt: de these dat Nederlandse grootbanken structurele renteprofijt-aandelen zijn, is in één week tijd van enkelvoudig voordeel naar dubbelzijdig risico verschoven.

De rente boven 300 basispunten verhoogt nettorente-inkomsten op nieuwe leningen, maar vergroot tegelijk de druk op obligatieportefeuilles en maakt depositoverlies kostbaarder.

De depositokloof van 175 basispunten maakt de fundingbasis kwetsbaarder op precies het moment dat goedkope deposito's het meest waardevol zijn voor de balans.

En het klimaatstaartrisico bij ING voegt een juridisch opgelegde portefeuillebeperking toe die in geen enkel huidig analisten-model als scenario staat.

De 300 basispunten-grens die in maart werd doorbroken — het niveau dat decennialang als structureel plafond gold — is daarmee het verificatiebenchmark geworden voor de omvang van dit regimeverschil.

Als de tienjaarsrente de komende kwartalen doordringt richting 350 basispunten, dan worden alle drie de drukpunten tegelijk zwaarder: hogere fundingkosten, grotere prikkel voor depositoflight naar neobanken, en meer sectoren in de kredietportefeuille die onder klimaatjuridische druk komen te staan.

Het opwaartse pad bestaat: als de ECB-rente stabiliseert, depositomobiliteit lager uitvalt dan gevreesd, en de ING-klacht in hoger beroep wordt teruggedraaid zoals bij Shell, dan is de huidige koersinschrijving bij ABN AMRO rond 32 euro verdedigbaar.

Deutsche Bank's herziening van winsttaxaties voor 2026 en 2027 met 8 respectievelijk 10 procent suggereert dat de markt op dit moment het opwaartse scenario prijst.

Maar het neerwaartse pad is niet een geleidelijke correctie — het is een herstructurering van de fundingbasis, de kredietportefeuille en de juridische aansprakelijkheidsstructuur gelijktijdig.

De meest onderschatte variabele is niet de klimaatklacht zelf, maar de termijn waarop juridische uitkomsten de portefeuillesamenstelling van ING dwingen te herzien — want die tijdlijn bepaalt of de 262 megaton-uitstoot een reputatiegetal blijft of een balansherstructureringskaart wordt.

Link copied